Er is iemand jarig. Ons gezin heeft zich mooi aangekleed. Als we over het grindpad richting de voordeur lopen sissen mijn ouders iets tegen elkaar over de grandeur van het huis. Los op het gras, links van de veranda, staat een enorme spar, een matgroen wezen met takken als tentakels. Wij de scharrelende eekhoorns aan de voet van het wezen. In de weer met beukennootjes.

Binnen een lichtovergoten woonkamer waar ik de familieleden verlies in omhelzingen met derden. Ik stap terug de donkerder gestemde hal in. Houten lambrisering, hout op de vloer. Bovenaan de brede trap naar de eerste verdieping zie ik hem zitten, de gehurkte vogel. Het licht komt van achteren. Het is de jongen met het indrukwekkende haar. Op een manier dat je zoekt naar woorden ervoor. Ik weet wie hij is. Hij is een broer van een vriendin van mijn zus. Onze zussen zijn in Davos, Zwitserland, in het Astma­centrum, afdeling Antilopen. Ze krijgen allebei geen lucht. Ik beweeg me trots dichterbij, de trap op. Hij gehurkt in de vensterbank, met glas-in-loodpatronen achter zich. Ik sta voor hem. Zie dennenappels en sparren in het glas-in-lood en een jager. Zijn hond alert aan de voet met één pootje omhoog. De jager legt aan.

We blijven in deze hal. De details veranderen. Omdat ik wel ouder ben geworden blijft de scène zich herhalen.

Nu weer kijkt hij toe hoe ik de trap beklim. Ik beweeg me trots vanwege de bomberjas van mijn broer. Er staan twee wegvliegende eenden achterop tegen een avondlucht. Er staat ‘Chevignon’ op een embleem op mijn borst. Zijn wimpers zijn vol en hebben eenzelfde glans als zijn haar. Eikenhout. Nee lichter. Rozenhout.

In een parallel universum zijn hij en ik broers en liggen we naakt in de branding. We hijgen uit omdat we elkaar hebben afgebeuld in de golven met duiken en springen. Met zout water in onze ogen draaien we hardhandig over elkaar heen in het zand. We voelen elkaar. Er treedt verte­dering op. Vertedering die paniek wordt die zich ontlaadt. Wat ik bedoel is we komen klaar, zee neemt het zaad mee dat op onze borstkassen terechtkomt.

In een parallel universum beneden geluid van de verjaardag. Op de trap stilte. Hij kijkt naar me. Ik open mijn mond en het komt op gang. De stroom komt op gang. Onderweg naar school vlei ik de stroom, smeek ik de stroom, beveel ik de stroom. De stroom geeft geen krimp. Dus vertel ik. In het kringgesprek, tijdens de les, op het schoolplein, bij het fietsenrek, de woorden stromen onwillekeurig door mijn mond naar buiten. Kan ik de wereld optillen met de stroom? Kan ik hém optillen met de stroom? Hem het raam uit, hoog boven de spar nog, via de blauwe lucht in veiligheid brengen?

We zitten naast elkaar in het raam en de woorden storten zich van de trappen. Hij luistert, hij knikt, de stroom stroomt. Na een tijdje zegt hij gedecideerd: hier wil ík iets over vertellen. En iets luider: hallo? Het stokt. Ik zwijg abrupt, geschrokken, hitte. Verwarring, een kwade dankbaarheid. In het luisteren gloeiende opwinding. Iets wordt duidelijk. Als hij uitverteld is zwijgen we. We kijken naar het leven beneden in de hal. Er komen nieuwe gasten binnen, er wordt iemand uitgezwaaid. Er stuift een pluizige hond voorbij, jongere kinderen rennen er joelend achteraan. Hij daalt af om sinas te halen. Daarna praten we. De stroom stemt zich af, wat erotisch is. Wat duidelijk wordt of wat meer contouren krijgt is de erotische ruimte van het gesprek. Dat je nader bij elkaar kunt komen in een fictieve ruimte die je deelt.

We zien elkaar weer als we mijn zus uit Zwitserland halen. We blijven één dag, iedereen moet huilen, wij snowboarden. Zijn oren helderrood, zo rood als mijn geleende skipak. De volgende dag rijden onze families gebroederlijk achter elkaar aan terug naar Nederland met onze opgeluchte zussen aan boord.

In de weken daarop het bericht, acute leukemie, kort ziekbed, tragedie, stilte.

In een parallel universum lachen we om iets op de radio. Hij veegt zijn haar uit zijn gezicht. Hij zit naast me in een auto op een snelweg door de bergen. Hij kijkt uit het raam, zijn handen, die sierlijk zijn, liggen in zijn schoot. Later draai ik ons op een smallere weg in haarspeldbochten omhoog. Boven aangekomen wandelen we uren in de sneeuw. Hij heeft een groene thermosfles, die hij behoedzaam losschroeft. Als hij opkijkt met beslagen brillenglazen weet ik dat hij leeft.

Soms lacht de gehurkte vogel. Soms flikkeren de patronen in het glas-in-lood. Altijd wordt de hitte tastbaar, de kwade dankbaarheid, het afstemmen op hem, de oefening.

Hannah van Wieringen (1982) schrijft toneel, proza en poëzie.

Meer van deze auteur