Na een leven lang in kleine kamertjes in gedeelde krotjes heb ik eindelijk een huis, helemaal voor mezelf. Groot genoeg om niet steeds mijn hielen aan het bed te hoeven stoten. Ik moest er wel voor naar België emigreren. Schrijvers, kunstenaars en andere zelfstandigen, zeg maar gerust de meeste mensen onder de veertig, kunnen alleen nog met veel geluk een woning in een Nederlandse stad vinden. Of in een grote stad in welk ander Noord- of West-Europees land ook. Behalve in Brussel. In Brussel loopt de tijd een jaar of tien achter. En zo komt het dat deze geinige, vuile, geminachte stad zowaar aantrekkelijk is geworden voor de creatieve klasse.

Niet voor lang, dat weten we allemaal.

Helemaal officieel is ‘t niet, ik moet er een beetje voor sjoemelen. Officieel ben ik nog gewoon Nederlander. Ik balanceer nauwkeurig op de administratieve regels van het grensbewonerschap. Bang om nog meer zekerheden en schamele vangnetten te verliezen – de opgebouwde wachttijd voor de Amsterdamse sociale huur bijvoorbeeld, mocht ik ooit weer willen terugkeren.

In Oval, een subtiel dystopische roman van de Amerikaans-Duitse schrijver Elvia Wilk, leeft een geselecteerde groep gelukkigen gratis in ecohuizen op een kunstmatige berg in Berlijn. Honderd procent duurzaam en cradle-to-cradle. Het huis wordt verwarmd op compost en verlicht op zonne-energie. De kinderziektes zijn nog niet uitgeroeid – bij warm weer gaan de ramen niet open en het lekt er als de neten – maar hoofdpersonen Anja en Louis zijn toch geluksvogels. Wilks nabije toekomst is nauwelijks een toekomst te noemen, is in feite al bewaarheid: de stad is onbetaalbaar, iedereen is bang om op straat te komen staan, kunstenaars zijn consultants geworden voor bedrijven. De berg verlicht de inwoners van hun allergrootste zorg, de huur, en verleent hen de glans van nieuwe stedelijke elite.

Wilks portret van Berlijn houdt het midden tussen satire en felrealistische aanklacht. Haar personages zijn gewoon zo typisch Berlijn: Anja doet onderzoek naar hoe uit kraakbeen daken kunnen worden gefabriceerd. Louis heeft een designerdrug ontworpen, Oval, die generositeit bevordert. Als de partyscene Oval gaat gebruiken, denkt hij, is de inkomensongelijkheid zo opgelost. Sociale problematiek, het is maar een kwestie van chemische disbalans.

Ik heb eindelijk een huis, helemaal voor mezelf, maar ik leef als een nomade. Al drie weken is het geratel van mijn rolkoffer over de hobbelige tegels het geluid dat nog het meest op thuis lijkt. Brussel, Den Haag, Houten, Amsterdam, Berlijn, Maastricht, Berlijn, Brussel. Vertraagde treinen, ontbijt buiten de deur, stationschocolaatjes voor wie mij een bed aanbiedt. Nu ik ben geëmigreerd moet ik voor elk dingetje logeren: familiebezoek, vergaderingen, voorlezen, de liefde. Ik heb het afgelopen jaar een indrukwekkende hoeveelheid reisgadgets opgebouwd. Mijn ratelende rolkoffer herbergt een e-reader, een noisecancellingkoptelefoon, een flinke powerbank die mijn verouderde laptop overeind houdt, een stevige thermosfles und so weiter. Maar volgende week kan ik tenminste naar huis, mijn huis, en hoef ik met niemand te praten. Ik ben zo’n typischemillennial, denk ik als ik dit schrijf, zo iemand die in een weekendbijlage van een krant kan worden geportretteerd achter een laptop in een koffietent. Ik worstel, maar wel in luxe, en ook dat is een van de kenmerken van dit laatkapitalisme: je bent je eigen cliché, wat betekent: je bent niet vrij.

In een recensie van Oval staat het er treffend: Wilk beschrijft een generatie waarin elke conversatie steeds weer op de vastgoedmarkt uitkomt. Een generatie wier favoriete onderwerp van smalltalk niet het weer, maar de huizenprijzen is. Ik vertel iemand dat ik in Brussel woon en meteen keuvelen we over gentrificatie, toerisme, makelaars, Elvia Wilk. Een gesprek dat zich maar blijft herhalen. Onoverkomelijk en saai, net als het weer. We worstelen, maar we zijn ook beschermd. Echte armoede kennen we niet. We hebben Europese paspoorten. Onze kritiek is ook een commodity, koopwaar. Sociaal kapitaal.


Een van mijn bestemmingen was Maastricht. In het najaar heb ik er drie maanden in een residentie voor kunstenaars gezeten. Tijdens de residentie sloot ik vriendschap met een jonge ontwerper uit Praag, een levenslustige, gulle Slowaak die bij elk feest als laatste naar huis gaat. Hij woont al een half leven in Praag, heeft amper gereisd. Dat hij in een prestigieuze residentie in Maastricht belandde was min of meer toeval.

Nu keerde ik terug in Maastricht voor de jaarlijkse presentaties. Ik had niemand uitgenodigd te komen luisteren naar mijn voordracht, ben je gek, veel te ver weg. De ontwerper ontving een auto vol vrienden, ze kwamen met een achterbak vol flessen natuurwijn uit Visegrad en professionele dj-apparatuur, ze waren helemaal uit Praag komen rijden, alles voor hun vriend, iemand had per ongeluk nog wat lsd-trips in zijn kontzak laten zitten en toen kwam er een douanecontrole en moesten ze meekomen naar het Duitse politiebureau, maar het maakte allemaal niet uit, ze waren er. Zo’n oude, toegewijde vriendengroep, ik keek ernaar met verwondering. Een hechte gemeenschap is ook een benauwende stolp, zei een Italiaanse vriendin, die hetzelfde dacht als ik.

Als ik wakker word weet ik altijd waar ik ben. Ik heb overal in Europa vrienden die leven zoals ik, al kunnen we nooit echt op elkaar rekenen. Ik voel vaak een paniekerige eenzaamheid, maar dat duurt nooit lang. Ik heb nooit ergens langer dan drie jaar kunnen wonen, maar ik vermoed dat ik snel verveeld zou raken als ik ergens te lang blijf. Ik kan in vier of vijf talen koffie bestellen. Ik heb een huis, helemaal voor mezelf.

Ik weet niet waar ik me thuis voel, maar ik vraag het me ook nooit af. Mijn diaspora is niet te vergelijken met de diaspora van Walter Benjamin. Ik ben niet op de vlucht, maar ik voel me ook niet welkom in mijn land, omdat ik er geen huis kan vinden. Ik heb tenminste de luxe om neer te strijken in een Belgisch paleis, de geestelijke stabiliteit ook om mezelf in een nieuwe omgeving te planten. Ik woon in België, werk in Nederland, heb lief in Duitsland, schrijf in Frankrijk. Maar het hóéft niet. Ik had op dezelfde plek kunnen blijven, al vraag ik me af waar dan precies. Ik had op dezelfde plek kunnen blijven en een vaste baan kunnen zoeken, al vraag ik me af wat dan precies en waar die banen nog zijn. Ik heb het geluk dat ik overal kan werken en dat ik gezond genoeg ben om steeds weer die smoezelige treinen in te stappen. Ik ben precies tevreden en gelukkig genoeg om niet razend te worden en samen met mijn koffervrienden door de straten te rennen, de ruiten van dure winkels in te slaan, auto’s in de fik te zetten.

Die vrienden en ik, onze paden kruisen elkaar zo weinig.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG en werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur