Het breekpunt in je leven wordt verfilmd en je mag meedenken. Met de jonge regisseur heb je in een hip café afgesproken waar ze honderd soorten koffie schenken. Binnen ruikt het kunstmatig naar verbrande bonen.

‘Beetje overdreven, vind je ook niet?’

Hij lacht beleefd. Een stoel aan het tafeltje achter jullie wordt verschoven, de metalen poten krassen kermend over de vloer. Hoofden draaien in jullie richting: de regisseur is beroemd.

‘Misschien beginnen met een openingsbeeld van ons huis,’ zeg je.

‘Je bedoelt een establishing shot,’ knikt hij. Goed idee. ‘Vertel.’

Toen je klein was, verhuisde je met je adoptieouders van Zweden naar een Brabants dorpje aan de rand van een bos vol glinsterende vennen. In de barakken naast een voormalig concentratiekamp, diep in het bos, woonde een Molukse gemeenschap. Jullie huis lag dichtbij, een heuse villa, de houten veranda gaf het een hoog Pippi Langkous-gehalte.

‘We gaan gewoon op locatie filmen,’ zegt de regisseur, ‘lekker makkelijk, maar die Molukkers spelen verder geen rol in je verhaal. Het is beter om ze weg te laten.’

Hij klinkt vastberaden. Je denkt aan het bos en het terrein om de villa, het zandpad dat in zigzag tussen de bomen oploste. De kinderen in het kamp waren aardig, ze stelden geen vragen zoals de meisjes in je klas.

‘Wist je als kind dat je geadopteerd was?’ vraagt hij.

Bam.

Hij steekt een sigaret op. Een rooksliert ontsnapt aan zijn lippen.

‘Wat kijk je? Roken is romantisch.’

Je zegt dat je moet nadenken, ‘geef me een seconde’, zijn vraag is de gevreesde eersteling, steevast gevolgd door meer, het moeilijke m-woord zal vallen, ‘moeder’, twee woorden, ‘je moeder’, of drie, ‘je echte moeder’, dat is een kwestie van tijd.

Je slikt.


‘Vertel me wat er gebeurd is,’ zegt de regisseur.

Op een dag liep je het schoolplein op, een meisje uit je klas zwaaide met een woordenboek dat ze van huis had meegenomen. ‘Je moeder is niet echt,’ zei ze, en ze wees: het woord ‘adoptie’ was rood omcirkeld. Het werd erger. ‘Je bent een onecht kind,’ zei ze, alsof je niet van vlees en bloed was. Dat deed pijn. Je sloeg om je heen, scheurde bladen uit het boek. Je zat bij ‘de nonnetjes’ op school. Jullie geloofden thuis nergens in, je moeder, pardon, je adoptiemoeder zei dat de liefde je tot leven had gewekt, niet hun lichamen. In de klas was je eerst het grappige meisje uit Zweden, maar geklets aan katholieke koffietafels maakte daar ruw een einde aan.

‘Je vader was architect en altijd aan het werk.’

‘Hij deed wat hij kon. De veranda paars verven uit protest.’

Voor je adoptiemoeder verzweeg je hoe naar het was om jezelf, hardop, de waarheid te horen zeggen: ‘Ik weet niet wie mijn echte moeder is.’

‘Gaat het?’ vraagt de regisseur. Hij klinkt betrokken.

Er zal een mooie film uit rollen, denk je, geschoten op locatie, in het dorp waar je werd gepest omdat je moeder niet je echte moeder was, de villa, het bos, de vennen, het is er allemaal nog, het kamp waar de Molukkers wonen, gek, veel echter wordt het niet.

‘De eerste scene is cruciaal, dat je te laat komt op school, de non die je geen standje geeft, je was een slim meisje, jaloezie lag voor de hand, je moest van school, maar kijk hoe succesvol je bent, een architect, net als je vader.’

Hij doet zijn best om bij de les te blijven.

‘Niemand zag het verschil. Dat was het probleem.’

‘Je noemde je adoptiemoeder gewoon moeder?’

‘Ja, maar op zijn Zweeds. Wat dacht je?’

Hij drinkt koffie terwijl je om je moeder roept: ‘Moder.’

‘Geen mamma?’

‘Nee, mamma is voor baby’s.’

Wat je van de titel vindt?

‘Je moeder!’

Over het uitroepteken was vergaderd.

‘Echt waar?’

‘Nee, joh!’

Toch is het gek, vindt hij, dat je ‘moder’ zei, terwijl je echte moeder ergens op de aardbol…

Hij laat de zin voor wat het is. Zijn hand maakt wegwuivende gebaren.

‘Misschien.’

‘Want ze was niet je echte moeder,’ zegt hij. Wat een drammer. De rook van zijn sigaret drijft door de koffiezaak.

‘Ik wist niet dat je weer mocht roken in cafés,’ zeg je luid, maar niemand kijkt op of om.


Je neemt je voor om het luchtig te houden. De deur van het café waait open. De regisseur inhaleert gulzig, alsof het sigaretje zijn laatste is.

‘Roken in films is weer oké?’ vraag je.

‘Je weet wat ze zeggen: art imitates life.’

Hij leunt langzaam voorover, het is vast lastig om te praten over vroeger.

‘De meisjes gooiden stenen naar je, begreep ik.’

‘Viel mee. Het waren kiezelsteentjes.’

‘Oké.’

‘Ik weet niet alles meer,’ lieg je.

Hij snapt je. De film zal de bron van het trauma tonen.

‘We doen wat jij wilt. We laten eerst zien waar je woonde met je Zweedse adoptieouders.’

‘Ik ben ook Zweeds.’

‘Dat bedoel ik, maar je echte moeder…’

‘Ja, die ook, schijnt. We weten het niet zeker.’

Hij wil een crane die uitzoomt, zegt hij dromerig, een wereldbol, een onderschrift: ‘Waar is je moeder?’

Hij valt zichzelf in de rede.

‘O ja, in Zweden. Vergeet de crane. Te duur. Je bent het waard, maar…’

Buiten op straat hoor je een kind om zijn moeder roepen, de regisseur glimlacht flauwtjes.

Het verhaal is mager, zegt hij.

‘Sorry. Ik wil het opbouwen. Eerst bos, dan villawijk in aanbouw, hier en daar een steiger.’

‘We wonen niet geïsoleerd van de rest?’

‘Precies. Het had iedereen kunnen overkomen, is de boodschap. Je ziet het adoptiemeisje in een bos, schooltas op de rug. Ze begint te rennen.’

‘Waarom?’

‘Ze is te laat.’

‘De non zie je zodra het meisje de klas in rent,’ zegt de regisseur.

Hij wil dat ze vlechten draagt.

‘Ik droeg geen vlechten,’ zeg je.

‘Greta-style,’ zegt hij, ‘het meisje dat jou speelt, doet wel vaker nostalgische films.’

Hij dringt aan: ‘De vlechtjes dansen op haar rug.’

Je schudt je hoofd. Wat een onzin.

‘Maar het is haar echte haar.’

Emily Kocken (1963) is schrijver en kunstenaar. Haar debuutroman Witte vlag (2013) werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs. In De kuur (2017) komt een rijk gezin in de ban van De Toverberg. In Lalalanding (2021) wordt een jongen in Parijs overschaduwd door de schoonheid van zijn zusje.

Meer van deze auteur