Ik heb het maar één keer gelezen, bij iemand die het ook had. Die vorm van statusangst, die je beschaamd maakt om eenvoudigweg te zeggen wat je bent. Drieëntwintig jaar geleden was ik soms beschroomd om de naam van mijn functie uit te spreken, waar ik tegelijk zo blij mee was: ‘hoogleraar’.

‘Ik werk aan de universiteit van Maastricht,’ of: ‘Ik geef les in genderstudies,’ zei ik vaak toen ik in 1997 net hoogleraar was geworden.

Ik had gesolliciteerd en nu was ik hoogleraar. Maar ik ventte dat niet uit. Ik praatte eroverheen, of ik deed er laconiek over, alsof het heel gewoon was, vooral tegen mensen die tegen me riepen: ‘Nou eindelijk! Dat werd tijd!’ Hoezo? dacht ik. Hoezo moet je zo nodig hoogleraar worden na je promotie, is het anders niet goed soms? Moet iedere begaafde universitaire docent zichzelf als tweederangs beschouwen als hij of zij geen hoogleraar wordt? Dat vond ik doorgeslagen carrièredrang. Een teken des tijds ook, waarin gewoon goed niet meer goed genoeg is en mensen zichzelf als mislukt beschouwen als ze de ‘top’ (maar hoe top is die top dan eigenlijk?) niet bereiken.

Goed, ik werd hoogleraar, weliswaar op een bijzondere leerstoel, maar even later was ik standaard fulltime hoogleraar en directeur van een wetenschappelijk centrum. Ik kon het wel vertellen aan medeacademici, maar hoe verder de mensen die ik sprak van de universitaire wereld afstonden hoe moeilijker ik het uit mijn strot kreeg. Alsof ik er geen recht op had, me schaamde voor mijn positie, alsof het niet uit te leggen viel.


Op een gegeven moment herkende ik mijn eigen ontwijkgedrag. De feminist in mij vond het idioot. Ik was een vrouw die met succes door het glazen plafond heen was gekomen, waarom kon ik daar niet tegenover iedereen fier voor staan? Was het dan niet de discriminerende buitenwereld die me tegenhield, maar ook een innerlijk gevoel van minderwaardigheid? Mozesmina! Was ik daar nou nog steeds niet mee klaar?! Maar ik had ditzelfde ooit gelezen bij G. K. van het Reve, in zijn verhaal ‘Lof der scheepvaart’. De ‘ik’ heeft een goedkope overtocht naar Londen geboekt op een klein vrachtschip, hij is de enige passagier bij een eenvoudig schippersechtpaar. De vrouw heeft begrepen dat hij student is en vraagt wat hij studeert.

Ik haalde diep adem en deelde mede dat er sprake was geweest van een misverstand. Ik was geen student, maar schrijver. Bij deze mededeling begon, als gewoonlijk, om redenen die ik nooit goed heb kunnen begrijpen, mijn hoofd te gloeien van schaamte.

De man vraagt of hij dramatische boeken schrijft:

‘Ja, dat is niet zo gemakkelijk te zeggen,’ antwoordde ik, terwijl ik radeloos een paar maal heen en weer keek en daarna weer voor mij uitstaarde. ‘Dramatisch, nee…’ mompelde ik half verstaanbaar. Opnieuw kreeg ik de gewaarwording dat niets van wat ik zei waar was, dat ik loog en bedroog en dat ik, onder volstrekte valse voorwendsels, als een parasiet, passage aan boord van een schip van oppassende en vlijtige mensen had gevonden. ‘Klootzak,’ zei ik bij mijzelf. […]

‘Je bent helemaal geen schrijver,’ hoorde ik een stem in mij zeggen. ‘Opschepper, Zak. Kale kakschopper.’ Het zweet brak mij uit terwijl ik de boeken uit mijn plunjezak tevoorschijn sjorde. (Tirade 19-10, 1958, p. 221-8)

Reve zet het zwaarder aan, maar ook ik voelde een hopeloze verlegenheid als ik tegen verre familieleden, tegen mensen die niet gestudeerd hadden of niet bekend waren met mijn vak, moest zeggen wat ik deed. Ik was hoogleraar en iets in mij vreesde dat dat op een misverstand moest berusten. En wat was dat dan wel, ‘genderstudies’, hoorde ik degene denken met wie ik sprak. Nog erger stotterend dan ik van nature al deed sloeg ik mij erdoorheen.

Door de jaren begon ik er iets van te begrijpen. Ik werd onderuit getrokken doordat ik de hele last van de maatschappelijke ongelijkheid op mijn schouders nam, alsof die ongelijkheid mijn persoonlijke schuld was. Ik maakte mijzelf verantwoordelijk voor de wederzijdse miscommunicatie tussen de academische cultuur en de werelden daarbuiten. Het was een erfenis van het gelijkheidsdenken van de idealistische jaren zeventig waarin ik volwassen werd. Ik was in mijn familie de eerste gymnasiast. Door hoogleraar te worden was ik ineens beland aan de andere kant van de scheidslijn tussen arm en rijk, tussen protesterend tegen de macht en machtig. Daarom stak mijn schaamte het sterkst de kop op bij mensen die ver van die gestudeerde wereld afstonden, bij buren, mijn boerenfamilie, kroegmaatjes, sportvriendinnen. Ik wilde bij hen horen. Ik wilde me niet onderscheiden. Ik wilde die andere wereld niet kwijt.

Het bleek algauw tegen te vallen met die hoogleraarsmacht. Het bleef een strijd om ruimte te veroveren voor mijn vak, genderstudies. Ik leerde mijn autoriteit accepteren en gebruiken. Het is over. Ik kan het gewoon zeggen.

Maaike Meijer (1949) is biograaf, literatuurwetenschapper en emeritus hoogleraar genderstudies aan de Universiteit Maastricht. Ze schrijft over poëzie, populaire cultuur, biografie, feminisme en hedendaagse verbeeldingen van mannelijkheid. Ze schreef o.m. een biografie over de dichter M. Vasalis (2011) en over F. Harmsen van Beek (2018).

Meer van deze auteur