Besmet. Be-smet. Voorzien van een smet, getekend. Een vlek. Een schandvlek.

Besmet is bezoedeld, niet meer zuiver, voor altijd aangetast.

Besmetten is bevuilen. Vooral van witte dingen. Wit is puur, besmet is smerig.

Wie besmet is, is besmettelijk. Draagt smetten over.

Een smet is onherstelbaar. Eenmaal een smet, of een smetje, hoe klein ook, altijd besmet. Nooit meer schoon of zuiver.

‘Besmet’ verwijst allereerst naar een biologische realiteit: met ziekte besmet. Maar ook gedachten en gedrag kunnen besmet zijn. En dus besmettelijk. Mensen kunnen met zonden zijn besmet, op dezelfde manier als met de vlekken van cholera of lepra.

Een smet is een symptoom.

Een lam ‘zonder smet’ is een lam zonder ­gebrek.

Besmetten kon vroeger ook betekenen: ­beschimpen.

Smetvrees.

‘Van vreemde smetten vrij’ heette het in het Nederlandse volkslied uit 1813 (in 1932 vervangen door een andere regel). Dat schijnt niet op de angst voor genetische vermenging te hebben geslagen, maar op anti-Franse gevoelens. Maar toch. Vreemde smetten duiden op onacceptabele vermenging van het ‘zuivere’ volk.

Smet is een beladen woord. Een smet is meer dan een vlek. Smet is een metafoor, een uitspraak over angst en vooroordelen. Smet is een pijnlijk woord dat verwijst naar generalisatie, naar uitsluiting en discriminatie.

In Oekraïne zijn bussen aangevallen waarin mensen zaten die uit Wuhan werden geëvacueerd. In Noord-Italië mogen kinderen van ­Chinese families die al generaties lang in het land wonen en nooit in China zijn geweest, voorlopig niet meer naar school. In een bus in Californië deden mensen ogenblikkelijk mondkapjes op toen iemand met een Chinees uiterlijk begon te niezen. Dankzij het coronavirus ­(covid-19), worden weer mensen van bepaalde etnische groepen, in dit geval Chinese, buiten gesloten.

We kennen het patroon. De hele geschiedenis door zijn minderheden beschuldigd van het verspreiden van besmettelijke ziekten zoals de pest, gele koorts of cholera. Joden en zigeuners voorop, maar ook bijvoorbeeld Chinezen in de VS. De associatie verliep bijna altijd via de gedachte dat andere groepen vuil en onhygiënisch waren en dat daardoor de ziekte met hen meekwam. De mens zelf werd gezien als vector (overdragende soort) in mens-tot-mens­besmetting, ook als het vaak andere soorten waren zoals ratten of luizen die de besmetting overdroegen. Hoe dan ook, de relatie minderheid en ziekte werd telkens gelegd.

Onderzoekers van Stanford University bekeken hoe de angst voor besmetting geruchten over mensen die als outsiders worden beschouwd geloofwaardig en ‘rationeel’ maakt. De uitkomst: de angst voor biologische besmetting creëert angst voor culturele besmetting1, niet alleen in de VS maar ook in koloniaal India. Angst vermengt biologie met moraliteit: in het begin van de hiv- en aidsepidemie in de VS was het hoge aantal homoseksuele slachtoffers het bewijs dat de ziekte de straf was voor zondig, onnatuurlijk seksueel gedrag. Bij deze ziekte is de patiënt zelf schuldig, en dat maakt hem dubbel gevaarlijk, als bron van ziekte en van ziekelijk gedrag.

Angst is zelf besmettelijk. We zien het nu op sociale media, in de ongefundeerde paniek, de irrationaliteit. Cijfers over risico’s hebben geen enkel effect, wetenschappelijke uitleg net zo min. ‘Geef hem in godsnaam geen hand!’ waarschuwde een vriend met vele academische titels me toen ik zei naar een Chinese collega te gaan. ‘Je weet niet waar hij is geweest en wie hij een hand heeft gegeven.’

Angst, niet de besmetting zelf, voedt xenofobie en discriminatie. Quarantaine, afzondering of afscheiding was en is het antwoord op besmet zijn. Een bufferzone rondom de besmettingshaarden kan een verantwoorde ingreep zijn. Maar de gedachte erachter gaat verder: zij die besmet zijn of daarvan verdacht worden moeten ‘ons’ niet aansteken. De besmetten zijn de onaanraakbaren geworden.

Besmet. Be-smet heeft een connotatie die contagious, contagioso of contagieux niet hebben. Vandaar dat ik, behalve in een strikt wetenschappelijke en meestal niet-Nederlandstalige context, het woord nu veel te beladen vind en voorlopig, en misschien wel voor altijd, vermijden zal.

  1. H. Rao & S. Dutta, Infectious diseases, contamination rumors and ethnic violence (2015) 

Louise O. Fresco (1952) is landbouw- en voedseldeskundige en voorzitter van de raad van bestuur van Wageningen U&R. Ze werkte eerder in Italië, de VS, Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Fresco schreef vier romans, waarvan De utopisten werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2008. Van haar standaardwerk Hamburgers in het Paradijs verscheen onlangs de negende druk.

Meer van deze auteur