Reeds als vijftienjarige had hij zich bekwaamd in het schrijven van klassieke sonnetten. Deze kunst bleef hij tot op hoge leeftijd beoefenen omdat er volgens hem geen degelijker vehikel bestond voor de expressie van bodemloze emoties.


De meisjes dragen hun brillen hip op deinende dienbladen.
De luttele merels ruien omdat het nu al herfst wordt.
De cumulonimbi schokken zich rillerig klaar.
De fietsbanden glippen op kinderkoppen voorbij.
De opdringerigste lidwoorden temmen hun limbische lobben.
De krantenjongens happen in schuimende kragen.
De buitengesloten het-woorden lappen hun lieslaarzen.
De hutkofferscharnieren piepen om lauwe olie.
De witregelpolitie delft moedeloos een onderspit.

Onderspit? Wie dolf er hier dan een opperspit?
In welke greppel schuilt de tot vervelens toe tikkende winterkoning?
Wie leest mij de kleverigste dagbladkoppen voor?
Waar kan mijn eiderdonzen dekbed het goedkoopst gestoomd?
Wie vult mijn kolf met onbetreden sneeuwen?

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur