Op lange zomeravonden als deze voelt Idder zich weer mens, mens zoals hij vroeger was. Hij zit op een Brussels terras, zijn blote voeten rusten op zijn gele slippers in de zon. De warmte en traagheid waarin de stad is verzonken brengen hem terug naar de straat van zijn ouderlijk huis, vijfentwintig jaar geleden, toen hij enkel wat muntjes en hopeloze gedachten op zak had. Idder meent zelfs een vlaag eucalyptus te ruiken, al groeien er geen reuzeneucalyptusbomen met puntige bladeren in Brussel en zeker niet zoals die uit zijn jeugd.

Idder en zijn broer rookten dagelijks onder de boom en fantaseerden over de nieuwe overbuurvrouw. Zij was jong zoals zij en had lang pikzwart haar en een spleet tussen haar voortanden, daarboven grote ogen met enorme wimpers die haar wangen raakten als ze knipperde. Ze leek uit een sprookje te zijn weggelopen, zo hun straat in. Haar lach was betoverend en haar echtgenoot een beest. Hadj Bachir was een rijke oude man wiens vrouw dementeerde. De rijke stinkerd had met zijn bezit de jonge beauty weten te overtuigen met hem te trouwen terwijl zijn eerste vrouw thuis vastgebonden aan het bed lag te tieren. De levendige, vrolijke vrouw die vroeger altijd schunnige grappen maakte leek te zijn opgelost in haar eigen lichaam. In die tijd bezocht Idders moeder haar eens in de week, omdat ze oude vriendinnen waren. Samen maakten ze ooit zelfs van boodschappen doen een groot feest. Onderweg naar de markt bezochten ze andere vriendinnen en dronken ze thee. Ze kenden ook alle marktkoopmannen en -vrouwen. Ze werd opgesloten in een kleine kamer zodat ze niet weg kon lopen. Als ze de kans kreeg rende ze met haar wilde grijze haren op blote voeten naar buiten, regelrecht naar de markt. Ze liep dezelfde route als ze vroeger met zijn moeder deed, voordat ze veranderde. Als de hadj vrijdag tijdens het middaguur naar de moskee ging, gooide de jonge buurvrouw de luiken en de ramen van het grote huis open, ramen die nog nooit open waren geweest zolang Idder zich kon herinneren. Ze wisten niet eens dat het huis ramen had, tot zij kwam. Hij stond rond het middaguur in de schaduw van de eucalyptus en zonder ooit een woord te wisselen leek het alsof Idder wekelijks een afspraakje met haar had. Ze hadden een scala aan blikken en houdingen ontwikkeld bij gebrek aan direct contact. Zo dweilde ze bijvoorbeeld langzaam en vol overgave de hal van het huis als hij onder de boom stond. Ze hield de voordeur open zodat hij naar binnen kon kijken. Ze tilde haar jurk tot halverwege haar dijbenen omhoog en het dweilen duurde zolang als het bidden.

‘Salut monsieur, atay, bière?’ vraagt een ober met een rond brilletje en Idder is weer terug op het terras waar hij is. Dit is de reden dat hij zo van Brussel houdt: hij voelt zich hier nooit een vreemde, iedereen is hier tenslotte vreemd en iedereen spreekt alle talen die ertoe doen. ‘Birra alstublieft.’ Idder heeft zin om te roken, al doet hij dat al jaren niet meer. Bij de eucalyptusgeur hoort een sigaret om de herinnering te eren. De vriendelijke ober komt terug met een biertje en Idder vraagt hem om een sigaret, de ober haalt een pakje uit zijn schort en geeft hem er één. ‘Chokran!’ De ober knikt.

Verderop komt een grijsaard zitten. Idder kijkt naar de man en verdomd, wat lijkt hij veel op de oude viespeuk. Hij heeft dezelfde muts op als de hadj. De man bestelt iets en zit wat voorover gebogen met zijn handen op zijn knieën, precies zoals de hadj dat ook deed, hoe bestaat het? Misschien klopt het verhaal van veertig dubbelgangers toch. Idder blijft aandachtig naar de man kijken. De ober brengt hem een potje thee en ze voeren een gesprek. De grijze man pakt ondertussen een doosje lucifers en begint ermee te spelen. Hij draait het doosje steeds een kwartslag, tikt ermee op tafel en kijkt naar een vrouw die langsloopt, hij kijkt haar na, daarna weer een vrouw, hetzelfde herhaalt zich bij iedere vrouw die langsloopt. De smeerlap, de harteloze moordenaar. Hij neemt een slokje van zijn thee en gaat rustig achteroverzitten met zijn ogen gesloten, alsof er nooit iets is gebeurd. Zijn demente vrouw is vastgebonden aan het bed overleden. Zou hij aan haar denken, aan zijn genadeloze verraad, of denkt hij aan het gitzwarte haar en de engelenogen van zijn tweede vrouw. Mannen zoals hij moeten worden berecht voor het onrecht dat ze anderen aandoen. Hadj Bachir zal nooit berecht worden, hij zit hier zichtbaar te genieten van de zon op zijn gezicht.

Idder wil de sigaret aansteken, maar de ober is verdwenen. Hij neemt een slok van zijn biertje en kijkt om zich heen, niemand rookt op het terras, maar Hadj Bachir heeft lucifers. Hij is altijd al een onvriendelijke man geweest, hij gaf nooit antwoord als je hem gedag zei. Vroeger verjoeg hij iedereen die onder de eucalyptus stond, alsof de boom van hem was. De boom stond er al voordat de smeerlap werd geboren.

Idder wil erheen om een vuurtje te vragen, maar wat als de bruut hem weer negeert, zoals vroeger? Niemand anders heeft een vuurtje. Idder drinkt zijn laatste slok bier en staat vastberaden op. Hij richt zijn blik op de hadj en verliest hem geen ogenblik uit het oog. Dit is het moment om de angst de ogen uit te steken en wraak voor de beauty te nemen. Hij loopt op het tafeltje van de hadj af. Idder kucht luid. De grijze man met het mutsje opent zijn ogen, tilt zijn hoofd op en kijkt hem verdwaasd aan.

‘Denk maar niet dat ze ooit van je heeft gehouden, de vrouw die van je hield heb je langzaam vermoord. Weet je wat? Steek die lucifer maar in je achterwerk, oude smeerlap.’

Idder voelt een last van vijfentwintig jaar als water van zijn lichaam afglijden, over zijn blote voeten zo de vieze Brusselse stoep in, de slippers is hij vergeten.

Nisrine Mbarki (1977) is schrijver, literair vertaler en docent. Ze schrijft poëzie, theaterteksten en korte verhalen. Ze vertaalt uit het Arabisch naar het Nederlands en werkt momenteel aan haar vierde vertaling. Haar poëzie verscheen eerder in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn, Tirade en Poëziekrant.

Meer van deze auteur